Ik denk dat ik er voor kies dat ik er mee stop…

Met deze uitspraak besloot een kleuter van 5 jaar te stoppen met het spel dat we aan het spelen waren. Op mijn vraag waarom hij deze gedachte had gekregen zei hij: omdat het moeilijk is.

Een uitspraak die ik regelmatig en in verschillende bewoordingen te horen krijg als we de sessie beginnen of soms juist afsluiten met een spel. Het hangt af van de gemoedstoestand waarmee het kind bij mij binnenkomt. Ik heb altijd veel kleine spelletjes op de tafel liggen waar je je tanden even lekker in kan zetten. Het zijn uitnodigende spelletjes en soms triggers om het de volgende keer in een kortere tijd op te lossen.
De één gaat onverstoorbaar door, de ander zucht eens diep, legt het weg en zegt: ‘zullen we beginnen’, weer een ander kijkt me hulpeloos aan en zegt niets. Of kijkt me aan en zegt dat ze het toch niet kan omdat ze niet zo slim is. Deze laatste uitspraak hoor ik vaak. Aanleiding om in gesprek te gaan over dat wat hij of zij laat zien.
Dat maakt mijn werk zo mooi en inspirerend. Authenticiteit, werken vanuit het hart met kennis en vaardigheden maken dit vertrekpunt van begeleiden succesvol voor kind & ouder.


Maar de kleuter van 5 die weloverwogen z’n woorden kiest, zoals in de aanhef van deze nieuwsbrief, ontmoet ik niet elke dag. Een uitdaging dus. Wat ga ik met deze kleuter doen en hoe?
Ik start met de vraag: Wat bedoel je met moeilijk? ‘Nou gewoon…moeilijk.’ Oké. Ik snap gelijk wat hij bedoelt… niet dus: maar wat ís dan gewoon moeilijk? ‘Nou gewoon, ik kan het niet…’ Wát kan je dan niet? ‘Deze puzzel maken.’ Wat lukt er niet dan? ‘Om hem precies in drie x drie x drie te bouwen.’ O…want zo moet het worden? ‘Ja, dat zie je zo!!’ En gaat het wel lukken dan, als je er mee stopt? ‘Nee, maar dan word ik er niet verdrietig en boos van.’ Waar word je verdrietig en boos van dan? ‘…Van iets wat niet lukt en wat ik niet kan….’
Hoe komt het toch dat deze 5-jarige de handdoek al in de ring gooit als iets niet lukt? Is het niet zo dat een kleuter een grote mate van nieuwsgierigheid in zich heeft om steeds weer iets nieuws te leren? Dat heeft hij toch zijn hele leven al gedaan? Kruipen, lopen, praten, zelf eten, de wereld ontdekken ….En is het niet zo dat de slímme kleuter een nóg grotere mate van nieuwsgierigheid laat zien door het onvermoeibaar stellen van ‘waarom’ vragen naar allerlei bijzondere zaken.

Een stukje theorie over hoogbegaafdheid als inleiding:

Ik ben een groot fan van het model van de Canadese wetenschapper Francois Gagné, waaruit het volgende vertaald kan worden:
Begaafdheid wordt gezien als een aanlegfactor. Dat betekent dat je zonder vooraf te oefenen of te trainen prestaties kan leveren die uitsteken boven de gemiddelde prestaties van leeftijdsgenootjes.
Om de (begaafde)aanleg te kunnen waarnemen als ouder of leerkracht zal hij zichtbaar moeten worden in een prestatie. Om een prestatie te leveren doorloopt het kind een ontwikkelingsproces. Als dit proces strak begrensd wordt door de omgeving of opvoeders, zal het kind weinig tot niets van die aanleg laten zien.
Als er echter geen begrenzing is geweest, zal het kind met de begaafde aanleg al iets van een voorsprong hebben laten zien. Immers, hoe minder grenzen gegeven worden aan de ruimte om te presteren, hoe groter de kans dat het kind met een begaafde aanleg iets laat zien.
Als de leerling op school komt, zal hij deze behoefte aan de onbegrensde ruimte om te presteren nog net zo sterk hebben als voorheen. Als hij aangemoedigd wordt om zich te ontwikkelen, heeft dat tot resultaat dat hij ook op school gebruik gaat maken van die ruimte. Hij laat dan zien waartoe hij in staat is en daar begint het proces van leren. Elke keer als een leerling uit zijn comfortzone wordt gehaald, en daardoor in de naastgelegen zone van ontwikkeling komt, hebben we te maken met het fenomeen dat ‘leren‘ heet. Dat heeft de leerling zelf niet altijd in de gaten en gaat vaak op een natuurlijke wijze.

Terug naar de casus.

Slimme kleuters zijn onderzoekers bij uitstek met een groot gevoel voor autonomie. Dat betekent dat ze een grote mate van nieuwsgierigheid hebben en dingen graag zelf willen uitvinden. Als de leerkracht de kleuter weet aan te moedigen om zichzelf te ontwikkelen en nieuwe dingen te leren, in een omgeving die daartoe gelegenheid geeft, zal de kleuter dat aangrijpen en de eigen onderzoeksvragen gaan stellen en zich zodoende steeds iets nieuws eigen te maken.
Deze leerling zal ervaren dat leren leuk is als er een afgestemd aanbod is, en een veilig pedagogisch klimaat waarin fouten gemaakt mogen worden, frustratie er mag zijn, vragen stellen als heel normaal gezien wordt, overleg momenten aanwezig zijn en uiteindelijk een feed forward op het gelopen leerproces plaatsvindt. De leerkracht geeft de leerling het signaal dat als je iets nieuws gaat leren, doorzetten en doorvragen belangrijk zijn en niet alles in één keer foutloos hoeft te verlopen. En dat leren daardoor juist heel leuk kan zijn. Door de kick van succes te ervaren zal de leerling intrinsiek gemotiveerd raken om zich een volgende keer iets nieuws eigen te maken.

En dan komen we bij de kern van de frustratie van de kleuter uit de casus.
Want, zo zegt hij zelf; als ik iets niet gelijk goed kan durf ik niet te vragen hoe het wel moet op de manier die de juf goed vindt, want dan wordt de juffrouw boos en zegt ze dat ik het wel kán maar niet wíl. Ik krijg dan weer een werkje van groep 1, een makkelijk werkje. Dan moet ik eerst laten zien dat ik dat kan maar dat lukt dan juist niet en daar word ik boos en verdrietig van. Moeilijke werkjes lukken niet omdat ik niet weet hoe het volgens de juf moet en makkelijke werkjes gaan ook elke keer fout terwijl ik het wel weet. Hoe kan dat nou?

Hier is duidelijk een begrensde omgeving zichtbaar. De kleuter weet niet wat in de ogen van de ander goed is. Hij is heel goed in staat om ook het moeilijke werkje te maken, maar weet zich gehinderd door de aanpak en de regels van de juf die niet zijn aanpak zou zijn.
En het ‘mislukken’ van een makkelijk werkje? Doordat het zo makkelijk is gaan je gedachten soms zo ver dat je het voor jezelf ingewikkeld en moeilijk maakt, want zo simpel zal het toch niet zijn...de motivatie om het te doen is hier ver te zoeken.

Daar komt de boosheid en frustratie vandaan; Werk aan de winkel!
De slimme kleuter laat vaak op meer vlakken dan alleen rekenen en taal zien dat hij slim is. Maar, zoals hierboven beschreven, dan moet het pedagogisch klimaat zo zijn dat hij dat ook durft te laten zien. En kan laten zien, in een omgeving met onbegrensde mogelijkheden. En niet in een strak begrensde omgeving.

Het opbouwen van sociale relaties met leeftijdgenootjes is voor de slimme kleuter vaak een hele lastige omdat de omgeving waarin zij zich bevinden vaak niet aansluit bij hun belevingswereld en belangstelling. Maar die relaties en omgeving heb je nu juist nodig om sociale vaardigheden te oefenen en toe te passen,
Je gezien en gehoord voelen voor wie je bent, is een van de belangrijkste pijlers in je ontwikkeling waardoor je vertrouwen in je eigen kunnen krijgt. Voel je je niet gezien dan kan de gedachte ontstaan dat er voor jou geen plaats is in deze schoolomgeving en zal als reactie verschillend gedrag zichtbaar kunnen worden. En dat kan verschillen van heel druk tot heel ingetogen of gesloten.

Tot slot:

Slimme kleuters kunnen door hun gedrag onbewust situaties creëren waardoor zij zich buitengesloten en onbegrepen voelen.
En dat is wat de kleuter van deze casus intens ervaart.

Wat doe jij om ervoor te zorgen dat de slimme kleuter het gevoel krijgt dat hij echt bij de groep hoort?


 

Plaats reactie


Beveiligingscode
Vernieuwen

"...Wijsheid begint met verwondering..."